De geschiedenis van Fanfare St. Cecilia in het kort

Fanfare St.Cecilia kent een rijke historie. Opgericht in 1919, geboren uit een kerkelijk muziekgezelschap van het Kruisverbond "Sobriëtas" met de naam "Voor Godsdienst en Kunst". Deze vereniging evolueerde al snel naar een fanfare en is sedert de oprichting niet meer weg te denken uit het Millingse. In 1964 werd het Landskampioenschap veroverd. Onze fanfare komt uit in de eerste divisie en heeft tal van muzikale hoogtepunten achter de rug. We kenmerken ons door muzikale uitdagingen niet uit te weg te gaan, een goede jeugdopleiding en saamhorigheid. Een uitgebreidere geschiedenis vindt u hieronder. 

Door Ben C.M. Janssen, Up to date gehouden door: Paul Linssen t/m 2012 en Fred Staub t/m 2016

Heeloud1


Fanfare St.Cecilia is niet meer weg te denken uit de geschiedenis van Millingen aan de Rijn. Toch is het minder dan een eeuw geleden dat St.Cecilia werd opgericht.
In deze geschiedschrijving van St.Cecilia staat centraal de vraag:

“Wat bezielde de mannen van het eerste uur van St.Cecilia met de oprichting van een nieuwe fanfare in het Millingse?”

  • ging het om een verzoek van de pastoor om de kerkelijke evenementen muzikaal op te luisteren?

  • ging het om een “genoegdoening”?

  • òf ging het de oprichters alleen maar om samen muziek te maken?

Wellicht geeft dit stukje geschiedschrijving uitsluitsel.

Een voorgeschiedenis

 

In 1909 werd door een aantal leden van het Kruisverbond ”Sobriëtas” een muziekvereniging opgericht met de naam “Voor Godsdienst en Kunst”. Oprichter was Jan van Lier, destijds koster en organist. Hij werd tevens de dirigent van dit muziekgezelschap. Het instrumentarium werd door de Kerk beschikbaar gesteld. In het Notulenboek van de Parochie is het volgende hierover opgetekend: 26 september 1909 “besloten bij de Bisschop machtiging te vragen tot aankoop van instrumenten voor eene op te richten fanfare en tot eene uitgaaf van ƒ 500,00”.
Kennelijk waren deze ƒ 500,00 niet voldoende, want een paar maanden later vermeldt het Notulenboek het volgende: 14 december 1909 “besloten machtiging te vragen om in plaats van
ƒ 500,00, ƒ 600,00 te mogen uitgeven voor den aankoop van fanfare-instrumenten”.

De optredens van deze fanfare waren hoofdzakelijk gericht op kerkelijke evenementen zoals de sacraments- processie, maar ook werd de muziek verzorgd bij de activiteiten van het “Kruisverbond”.

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914, waarin ons land neutraal bleef, was het afgelopen met de muzikale activiteiten van deze fanfare. Meester Jeurissen schrijft in zijn geschiedenisboek over Milllingen hierover“de muzikanten stonden in veldgrijs langs onze grenzen en brachten daar het offer van gemis aan muzikale verlangens”. Voor veel muziekverenigingen had deze gedwongen rustperiode minder aangename gevolgen, omdat de instrumenten dikwijls ingeleverd moesten worden voor de zogenaamde mobilisatiekorpsen. “Voor Godsdienst en Kunst” kwam er beter af, omdat haar instrumenten eigendom waren van de kerk en daar bewaard zijn gebleven.

 

De oprichting

 

Het eerdergenoemde kruisverbond “Sobriëtas” behoorde tot het landelijk RK Matigheidsgenootschap en had tot doel de bestrijding van drankmisbruik. In november 1919 werd door dit genootschap een landelijke manifestatie uitgeschreven tegen drankmisbruik onder de naam “De Blauwe Maand”. In Millingen werd deze manifestatie georganiseerd door het “Kruisverbond” en daar hoorde, ook toen al, muziek bij. Op verzoek van de voorzitter van het “Kruisverbond”, rector J. van den Akker van het Pensionaat, werd door Lambert (Bartje) Lelie, postbode en Millings horlogemaker, de groep muzikanten van “Voor Godsdienst en Kunst” bijeengeroepen om aan deze manifestatie mee te doen.
De Kerk stelde de instrumenten beschikbaar van de vooroorlogse fanfare “Voor Godsdienst en Kunst” en aangevuld met een aantal muzikanten van “Ons Genoegen” ontstond er een muziekgezelschap, dat de manifestatie met succes muzikaal opluisterde. Dit optreden was kennelijk zo goed bevallen dat kort daarop ten huize van Bartje Lelie een eerste aanzet werd gegeven tot de oprichting van een nieuwe fanfare in Millingen.

Als oprichters naast Bartje Lelie staan bekend Toon Berns (de Pieper) , Thé Klomberg (Dos), Jan van Lier (de a-lde köster) , Gert Oteman en Hent van der Velden (de Koe-K).
Statutair is de oprichtingsdatum 13 november 1919 en de naam “St.Cecilia” is wellicht gekozen omdat deze naam als schutspatrones verbonden is aan alles wat met muziek en zang heeft te maken.
Hentje Hell en Gert Oteman respectievelijk voorzitter en secretaris van de oude fanfare van het Kruisverbond werden ook de eerste voorzitter en eerste secretaris. Hent van der Velden werd de eerste penningmeester van de nieuwe fanfare St.Cecilia. Met een bezetting van twaalf muzikanten, die onder de muzikale leiding kwamen van Jan van Lier, die ook dirigent was geweest van “Voor Godsdienst en Kunst” was Millingen een nieuwe fanfare rijker.
Een tweede fanfare in een klein dorp, maar dat is nu eenmaal typisch Millings van die tijd.

Oprichters2

Op de foto staand vlnr Toon Berns, Dos Klomberg, Sjen van Lier (vanaf de oprichting lid)
Zittend vlnr Gert Oteman, Jan van Lier en Bartje Lelie

De twintig en dertiger jaren

Door de tweede wereldoorlog zijn de notulen van deze jaren kwijtgeraakt en moet de oudste geschiedenis van St.Cecilia geschreven worden aan de hand van overleveringen. Een vaststaand feit is, dat Bartje Lelie de voorzittershamer in 1920 heeft overgenomen van Hentje Hell. Veertig jaren heeft Bartje de voorzittershamer gehanteerd alvorens deze over te dragen aan zijn schoonzoon Wim Hell, tevens de zoon van de eerste voorzitter Hentje Hell.

In de eerste jaren beperkte St.Cecilia haar optredens in Millingen. Uiteraard werden de kerkelijke evenementen muzikaal opgeluisterd, maar de fanfare werd ook de vaste partner van het schuttersgenootschap OEV1 (De Natte) voor de kermisactiviteiten en het fladderschieten.
Gerepeteerd werd in het gebouw van het Kruisverbond en na verluidt zijn alle zalen, van toneelpodium tot het lokaal van de tekenschool, met zijn scheve vloer, gebruikt.

Het eenjarig bestaan werd gevierd met een festival en werd opgeluisterd door fanfare UNA en de Laurentiusharmonie uit Kekerdom èn door fanfare DES uit Leuth. Tijdens dit festival werd een tenor- en een baritonsaxofoon aangeboden, zodat St.Cecila een volledige saxofoongroep kreeg. Tevens werd bij de viering van het eenjarig bestaan het verenigingsvaandel aangeboden . Dit vaandel is nog altijd bewaard gebleven.

De verstandhouding tussen de kerk en St.Cecilia was van meet af aan uitstekend. De pastoor was sinds de oprichting Moderator en dat heeft geduurd tot in de zestiger jaren.
Ook financieel steunde de kerk St.Cecilia. Een brief van pastoor Van Boxmeer aan de Bischop van Den Bosch bevestigde dit. "Millingen, 8 maart 1920. Wij bezitten hier eene R.K. fanfarevereniging waarvoor de kerk jaren geleden hoofdzakelijk het geld heeft gegeven om instrumenten te kopen. Aan het bestaan en den bloei dezer vereniging is ons zeer veel gelegen, want zij staan tegenover eene neutrale, dient tot opluistering van processie, kindsheid, feesten en aantrekkelijkheid van het kruisverbond. Nu zou zij gaarne 4 nieuwe instrumenten aankopen voor 350 gulden. Mag de kerk hiervoor 125 gulden bijdragen?"
Het antwoord van Bisschop A.F. Diepen liet niet lang op zich wachten. "Den Bosch , 15 april 1920: Volgens voorstel toegestaan onder gehoudenheid tot behoorlijke verantwoording."
Wellicht werd deze schenking mede gebruikt voor de aanschaf van de saxofoons. Ook in de aanschaf van het vaandel speelde de kerk voor de inzameling van de benodigde gelden een rol. Kapelaan Zijlmans nam het op zich een bijdrage te vragen bij De Mutter, die rentemeester was van de Colenbranders. Het was bekend dat er met de Mutter onderhandeld moest worden en je moest niet snel ingaan op een eerste bod. De Mutter bood ƒ 200,-: kapelaan Zijlmans vroeg daarop ƒ 300,- waarna De Mutter zijn eerste bod verhoogde tot ƒ 250,- een bod dat voor de kapelaan voldoende was. Ook een gift van Nol van Woerkom stelde St.Cecilia in staat binnen één jaar een eigen verenigingsvaandel te hebben. Hoe groot de gift van Nol van Woerkom was is niet bekend, maar het moet wel een flink bedrag zijn geweest, want hij verdiende daarmee het ere-lidmaatschap van St.Cecilia. In 1922 is St.Cecilia lid geworden van de Koninklijke Nederlandse Federatie van Harmonie- en Fanfaregezelschappen, de KNF. Dit lidmaatschap was te danken aan een snelle actie van de toenmalige KNF-secretaris Harmsen. Op de fiets vanuit zijn woonplaats Leuvenheim was deze secretaris wekelijks op stap om leden te werven voor zijn KNF en zo werd ook St.Cecilia lid van de KNF. Over dit lidmaatschap in relatie tot de kerk is het volgende vermeldenswaard. De KNF was ook in die tijd een federatie waarvan iedere muziekvereniging, confessioneel of algemeen, lid kon worden.
Om het “Rijke Roomsche Leven“ te versterken is met name tussen de twee wereldoorlogen een proces op gang gekomen om de emancipatie van de katholieken in Nederland te bevorderen. De Aartsbisschop van Utrecht riep in die tijd alle verenigingen met een katholieke achtergrond op om zich aan te sluiten bij de overkoepelende katholieke bonden. Gelet op de relatie St.Cecilia en de kerk zou je mogen verwachten dat de kerk in casu de pastoor St.Cecilia opriep om zich ook aan te sluiten bij de Katholieke Muziek Bond. Voorzitter Bartje Lelie werd inderdaad op het matje geroepen door de pastoor, maar zijn argumenten om toch maar lid te kunnen blijven van de KNF waren zo verhelderend voor de pastoor, dat het lidmaatschap van St.Cecilia nooit meer een punt van discussie is geweest en de goede betrekkingen nooit hebben verstoord.

1924

Terug naar het muziek maken

In 1922 werd voor de eerste keer deelgenomen aan een festival te Grave. Dirigent Jan van Lier was kennelijk hierop zo trots, dat hij op de zijkant van de vrachtwagen (zo was het vervoer in die tijd geregeld ) met krijt “op naar Grave” schreef.
In 1922 gaf Jan van Lier zijn dirigeerstok over aan Otto Rosenberg uit Kleve (Duitsland), die net als Jan van Lier organist was en verder geen affiniteit had met muziek; Rosenberg was van beroep opticien. Onder zijn leiding werd in hetzelfde jaar voor het eerst deelgenomen aan een federatief concours in Wijchen.
Voor dit eerste concoursoptreden werd zowel voor de mars- als voor het concertconcours een tweede prijs behaald. Mede door dit eerste succes steeg de populariteit van St.Cecilia in Millingen . In 1924, het jaar van het eerste lustrum, was het ledenaantal daardoor gegroeid tot 23.

Ondanks de groei van het ledenaantal werden de concoursprestaties er niet beter op. Onder leiding van de heer Rosenburg werd nooit een eerste prijs behaald. Oud penningmeester en erelid Arnold Peeters zei in een interview in 1992 hierover dat het in de weg staan van een beter resultaat te wijten was “aan de Duitse inslag van Rosenberg, die niet acceptabel was voor de jury”.
Na 1927 werden concoursoptredens dan ook in de ijskast gezet en dat heeft bijna grote gevolgen gehad voor de vereniging. Eind jaren twintig jaren namelijk geraakte St.Cecilia in een diep dal. Het ledenaantal liep sterk terug. Ook het tien jarig bestaan ging stilletjes voorbij. Het leek erop of iedereen zat te wachten op de ondergang, maar de vereniging vocht zich uit dit dal. In 1932 was het ledental weer terug op het oude niveau. Eén jaar later, in 1933, nam Otto Rosenberg ontslag. Of dit het gevolg was van het achterblijven van de muzikale prestaties, of het aan de macht komen van Hitler in die tijd, is niet bekend. Wel zijn de contacten altijd goed gebleven.
Zesentwintig jaren later, in 1959, trad Otto Rosenberg nog als gastdirigent op tijdens een concert in de Tiergarten in Kleve.
Het dirigentschap werd na deze ontslagname waargenomen door de dirigent van het eerste uur, Jan van Lier. In die tijd werd alleen nog opgetreden in Millingen voor de kerk en voor de schutterij.